Artikel 1.
De gemeenteraad neemt kennis van de voorgestelde aanpassingen en keurt deze goed.
Art. 2.
De gemeenteraad neemt kennis van het aangepaste reglement, zoals hieronder weergegeven, en keurt dit goed.
Gemeentelijk Subsidiereglement Kleine Landschapselementen (KLE's)
DEFINITIES
Artikel 1. Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
- Afzetten: Bomen en struiken afzagen op een hoogte die ongeveer gelijk is aan de dikte van de stam of takken. Afgezette bomen en struiken maken nieuwe takken aan vanuit de overgebleven stomp of wortels.
- Autochtoon plantgoed (Label ‘Plant van Hier’): Een individuele plant is autochtoon of oorspronkelijk inheems in een bepaalde streek als deze een nakomeling is van planten die zich sinds hun spontane vestiging na de laatste ijstijd altijd natuurlijk hebben verjongd, of die kunstmatig vermeerderd werden met strikt lokaal materiaal.
- Bomenrij: Lijnvormige aanplant van bomen.
- Bosgoed: Plantgoed dat 2 à 3 jaar oud en ongeveer 80 tot 120 cm lang is en standaard gebruikt wordt bij aanplantingen.
- Bos(je): Vlakvormige aanplant waarvan de bomen en de houtachtige struikvegetaties het belangrijkste bestanddeel uitmaken.
- Bosrand: Overgang tussen een open terrein en een bosgebied. Een ecologisch goede bosrand bestaat uit een mantel en een zoom. De mantel is een struikzone. De zoom is een zone met ruigtekruiden. De breedte van een goede bosrand varieert tussen de 1 tot 1,5 maal de boomhoogte.
- Gemeenteweg: Openbare weg die onder het rechtstreekse en onmiddellijke beheer van de gemeente valt, ongeacht de eigenaar van de grond.
- Haag: Dichte en doorlopende rij houtige struiken die door regelmatige en frequente snoei in vorm gehouden wordt.
- Heg: Dichte en doorlopende rij houtige struiken met een minimaal beheer.
- Hakhoutbosje: Bos(je) dat beheerd wordt door periodiek afzetten tot op een hoogte die ongeveer gelijk is aan de dikte van de stam of takken.
- Herstelaanplant: Aanplanten van plantgoed om gaten te dichten in lijn- of vlakvormige aanplantingen om het oorspronkelijke streefbeeld te herstellen.
- Historisch permanent grasland: Een halfnatuurlijke vegetatie bestaande uit grasland gekenmerkt door het langdurige grondgebruik als graasweide, hooiland of wisselweide met ofwel cultuurhistorische waarde, ofwel een soortenrijke vegetatie van kruiden en grassoorten waarbij het milieu wordt gekenmerkt door aanwezigheid van sloten, greppels, poelen, uitgesproken microreliëf, bronnen of kwelzones. Een overzicht van alle historisch permanente graslanden is te vinden op www.geopunt.be.
- Hoogstammig plantgoed: Plantgoed met een takvrije stam en op 180 à 200 cm het begin van de kruin.
- Hoogstamboomgaard: Aanplant van hoogstamfruitbomen in grasland in een regelmatig plantverband.
- Hoogstamfruitboom: Fruitboom met een takvrije stam van minstens 180 cm.
- Houtig erfgoed: Beplantingsvormen die representatief zijn voor het werk van de mens of van de natuur of van beiden samen. Ze vertellen iets over de geschiedenis van een bepaalde plaats. Ze illustreren oude gebruiken (bijvoorbeeld gerechtsbomen, kapelbomen, hoekbomen, welkomstbomen), historisch landgebruik (geriefhoutbosjes, knotbomen, boomgaarden…) of bepaalde technieken (leifruit, gevlochten hagen, schermbomen), ...
- Houtkant: Doorlopende rij boomvormende en struikvormende soorten die beheerd worden door periodiek afzetten tot op een hoogte die ongeveer gelijk is aan de dikte van de stam.
- Inheemse (planten)soorten: Plantensoorten die van nature voorkomen in een streek sinds de laatste ijstijd. Ze leveren een positieve bijdrage aan het voor de streek typische landschap en de biodiversiteit. Inheems plantgoed is niet persé autochtoon: veel inheems plantgoed is gegroeid uit zaden die niet afkomstig zijn uit onze streek. Een lijst met inheemse soorten is te vinden op www.natuurenbos.be/dossiers/kwaliteitslabel-plant-van-hier.
- Kleine landschapselementen: Lijn- of puntvormige elementen met inbegrip van de bijhorende vegetaties waarvan het uitzicht, de structuur of de aard al dan niet resultaat zijn van menselijk handelen en die deel uitmaken van de natuur zoals bermen, bomen, houtkanten, hagen, holle wegen, hoogstamboomgaarden, sloten, struwelen, poelen, …
- Knotboom: Boom die door periodiek knotten beheerd wordt. Het gaat zowel om de snelgroeiende soorten wilg en populier als trager groeiende soorten zoals els, es, haagbeuk, eik en linde.
- Leiden van hagen en heggen: Vlechten van jonge twijgen of inkappen en vervolgens neerleggen van oudere stammen met als doel het bekomen van een dichte vlechtheg.
- Oude fruitrassen: Oude lokale en regionale fruitrassen, horend tot het Vlaams erfgoed. Als referentielijst worden de lijsten opgemaakt door de Nationale Boomgaardenstichting gebruikt. Beschikbaar op www.boomgaardenstichting.be of aan te vragen bij het Regionaal Landschap Schelde-Durme.
- Plantaardige beheerresten: Plantaardig materiaal zoals maaisel, bladeren en takken dat vrijkomt bij beheerwerken.
- Plantsnoei: Snoei die wordt uitgevoerd vlak voor of direct na het aanplanten van fruitbomen waarbij 1 centrale harttak en 3 à 4 gesteltakken goed verdeeld over de stam worden behouden.
- Poel: Meestal door de mens uitgegraven waterpartij zonder kunstmatige waterdoorlatende laag die voornamelijk door grondwater gevoed wordt.
- Scheren: Jaarlijks of tweejaarlijks snoeien van een haag.
- Slibruimen: Verwijderen van sediment dat zich ophoopt op de bodem van poelen en sloten en dat bestaat uit afgebroken resten van bladeren, stengels, takken en afvalstoffen.
- Sloot (of gracht): Ten behoeve van waterafvoer of ontwatering gegraven langwerpige waterelementen met natuurlijke oevers die niet geklasseerd zijn als waterloop die gevoed worden door regen- en/of grondwater en die het grootste deel van het jaar van nature waterhoudend zijn zonder dat er een kunstmatige waterondoorlatende laag werd aangebracht.
- Solitaire boom: Alleenstaande boom.
- Spil (of veer): Niet opgesnoeid hoogstammig plantgoed dat zeer geschikt is voor landschappelijke aanplantingen.
- Streekeigen (planten)soorten: plantensoorten die eigen zijn aan een bepaalde streek omdat ze inheems zijn of een cultuurhistorische link met de streek hebben en daardoor al lange tijd in de streek voorkomen.
- Struweel: Vlakvormige aanplant die wordt gedomineerd door struiken die kunnen uitgroeien en eventueel sporadisch worden gesnoeid.
- Terugsnoeien: Snoeien van (vlecht)heggen of houtkanten tot op de gesteltakken. Dat voorkomt dat de landschapselementen te hoog en breed uitgroeien. Uit de gesteltakken lopen de planten opnieuw uit.
- Vlechtheg: Heg of haag die ondoordringbaar wordt gemaakt door te leiden.
- Waardevolle boom: Een boom die nationaal- of regionaal een belangrijke plek inneemt in de geschiedenis en/of bijzonder is op basis van leeftijd, omvang of bereikte hoogte of zich onderscheid qua functie in het landschap en/of zeldzaam is in België qua soort of variëteit en/of bijzondere planten of dieren herbergt.
ALGEMENE VOORWAARDEN
Artikel 2. Binnen de perken van de jaarlijks op de begroting voorziene en goedgekeurde kredieten verleent het college van burgemeester en schepenen een subsidie voor de aanleg en het beheer van kleine landschapselementen.
Artikel 3. De betoelaagde kleine landschapselementen zijn gelegen, volledig of gedeeltelijk, op percelen binnen of grenzend aan percelen met bestemming landbouw, bos, overig groen, reservaat- en natuurgebied van de gemeente Hamme. Voor percelen gedeeltelijk gelegen in de aangeduide bestemmingsgebieden wordt enkel een subsidie uitgekeerd voor de kleine landschapselementen die zich bevinden op dit deel van de percelen gelegen in de aangeduide gebieden. Voor het beheer van waardevolle bomen en houtig erfgoed alsook voor de aanplant en het beheer van hoogstamboomgaarden geldt deze beperking niet.
Artikel 4. De aanleg of het beheer van kleine landschapselementen heeft geen commerciële doeleinden (boomkwekerij, …).
Artikel 5. De aanleg of het beheer van kleine landschapselementen kan geen verplichting zijn die voortkomt uit voorwaarden die werden opgelegd bij een (omgevings)vergunning of machtiging.
Artikel 6. De aangevraagde betoelaging bedraagt maximum € 500 per aanvrager per jaar.
Artikel 7. Indien de aanvrager geen eigenaar of pachter is van de percelen waarop de kleine landschapselementen aanwezig zijn, moet hij over een schriftelijke toestemming van de eigenaar of pachter beschikken voor het uit te voeren beheer en het ontvangen van de subsidie.
Artikel 8. De betoelaagde werken moeten deskundig gebeuren, met respect voor de betrokken kleine landschapselementen en de bijhorende planten en dieren. Advies hierover kan verkregen worden bij Regionaal Landschap Schelde-Durme of tal van websites zoals www.ecopedia.be
Artikel 9. Voor de aanleg of het beheer van kleine landschapselementen die enkel betoelaagd worden na gunstig advies van Regionaal Landschap Schelde-Durme voert het Regionaal Landschap samen met de aanvrager die een aanvraag tot subsidie wenst in te dienen een terreinbezoek uit. Op basis van dit terreinbezoek levert het Regionaal Landschap ondersteuning bij:
- De opmaak van het plan voor aanleg (keuze streekeigen soorten, plantafstanden, profiel graafwerken …) en/of beheer (incl. technisch advies voor uitvoering).
- Het aanvragen van de vereiste vergunningen.
- Het aanreiken van mogelijke uitvoerders.
- Het indienen van de subsidieaanvraag bij het lokaal bestuur.
- Het aanreiken van eventuele andere mogelijkheden tot subsidiëring voor de werken die niet bij het lokaal bestuur ter subsidiëring ingediend (kunnen) worden (beheersovereenkomsten VLM voor landbouwers, subsidie bebossing Agentschap voor Natuur en Bos, …).
AANPLANT VAN HOUTIGE KLEINE LANDSCHAPSELEMENTEN
Artikel 10. Volgende subsidies worden toegekend:
- Voor hagen, (vlecht)heggen, houtkanten, hakhoutbosjes, struwelen, bosranden of kleine bosjes: € 5 per 10 planten.
- Voor (hoogstamfruit)bomen: € 15 per boom.
- Voor knotbomen: € 5 per stuk.
Artikel 11. De voorwaarden voor subsidiëring zijn:
- Voor het uitvoeren van de werken kan er advies gevraagd worden aan het Regionaal Landschap Schelde-Durme. Volgende werken kunnen enkel gesubsidieerd worden met een gunstig advies van Regionaal Landschap Schelde-Durme: de aanplant van (vlecht)heggen, houtkanten, hakhoutbosjes, struwelen, bosranden of kleine bosjes.
- Indien beschikbaar wordt bij de aanplant gekozen voor autochtoon plantgoed, d.w.z. plantgoed met het kwaliteitslabel ‘Plant van Hier’. Autochtoon plantgoed is het best aangepast aan de bodem en de leefomstandigheden in onze streken en het meest geschikt voor onze fauna en flora. Leveranciers zijn te vinden via https://www.natuurenbos.be/dossiers/kwaliteitslabel-plant-van-hier.
- Plantgoed wordt aangeplant voor 15 maart. Hoogstammig plantgoed bij voorkeur voor 31 januari en niet als het vriest of tijdens natte periodes met zeer hoge waterstand.
- Het maximaal aantal subsidieerbare stuks bosgoed bedraagt:
- Voor hagen: max 4 stuks per lopende meter, aangeplant op 1 plantrij of 2 geschrankte plantrijen.
- Voor heggen: max 3 stuks per meter, per plantrij, max 2 geschrankte plantrijen.
- Voor vlechtheggen: max 2 stuks per meter, per plantrij, max 2 geschrankte plantrijen.
- Voor houtkanten en struwelen: max 2 stuks per vierkante meter.
- Voor hakhoutbosjes: min 1 stuk per 4 vierkant meter, max 1 stuk per vierkante meter.
- Voor kleine bosjes: min 1 stuk per 5 vierkante meter, max 1 stuk per 4 vierkante meter.
- Voor bosranden: min 1 stuk per 1,5 vierkante meter, max 1 stuk per vierkante meter.
- Voor herstelaanplant: het aantal stuks dat nodig is om het beoogde streefbeeld te bereiken na schade of uitval van een deel van de aanplant.
- Voor hagen, (vlecht)heggen, houtkanten, hakhoutbosjes of struwelen:
- Het plantgoed heeft een minimumformaat van 60-80 cm.
- De aanplant bestaat uit inheemse boom- en/of struiksoorten.
- De aanplant heeft een minimale lengte van 50 m. Deze afstand kan verminderd worden met de afstand die bestaande bomen of struiken in de KLE innemen.
- Het beschermen van het plantgoed tegen uitdrogen door het aanbrengen van een laag rijpe compost of een laag houtsnippers of een laag rijpe compost met daarboven een laag houtsnippers rondom de stam is aangeraden, maar niet verplicht.
- Voor kleine bosjes en bosranden:
- Het bosje heeft een oppervlakte van maximum 1000 m².
- Het plantgoed heeft een minimumformaat van 60-80 cm.
- De aanplant bestaat uit inheemse boom- en struiksoorten.
- Het beschermen van het plantgoed tegen uitdrogen door het aanbrengen van een laag rijpe compost of een laag houtsnippers of een laag rijpe compost met daarboven een laag houtsnippers rondom de stam is aangeraden, maar niet verplicht.
- Voor bomen:
- Het plantgoed is hoogstammig en beworteld.
- Het plantgoed heeft een stamomtrek van minimum 8-10 cm of, in het geval van een spil, een lengte van 200-250 cm.
- De aanplant bestaat uit inheemse of streekeigen boomsoorten.
- Het plantgoed wordt voorzien van minstens 1 steunpaal (bij voorkeur aan de westkant van de boom) en boomband.
- Het plantgoed wordt beschermd tegen uitdrogen door het aanbrengen van of een laag rijpe compost of een laag houtsnippers of een laag rijpe compost met daarboven een laag houtsnippers rondom de stam. Deze laag heeft een diameter van minimum 1 m.
- Voor hoogstamfruitbomen:
- Het plantgoed is hoogstammig en beworteld.
- Het plantgoed heeft een stamomtrek van minimum 8-10 cm of, indien de onderstam nog geënt moet worden, minimum 6-8 cm.
- Indien meerdere hoogstamfruitbomen worden aangeplant bestaat het plantgoed minstens voor 70 % uit oude rassen.
- Indien meerdere hoogstamfruitbomen worden aangeplant bedraagt de plantafstand minstens 10 m of, op schrale zandgrond, minstens 8 m.
- De plantsnoei wordt uitgevoerd door de kweker of aanplanter.
- Het plantgoed wordt voorzien van minstens 1 steunpaal en boomband.
- Het plantgoed wordt beschermd tegen uitdrogen door het aanbrengen van of een laag rijpe compost of een laag houtsnippers of een laag rijpe compost met daarboven een laag houtsnippers rondom de stam. Deze laag heeft een diameter van minimum 1 m.
- De plantsnoei wordt uitgevoerd voor, tijdens of kort na de aanplant.
- Voor knotbomen:
- De poten zijn niet beworteld.
- De poten zitten minstens 0,5 m diep in de grond en op een afstand van 2 m van elkaar.
- de poten hebben bij aanplant een stamomtrek van minstens 8 cm ter hoogte van het maaiveld en een hoogte boven het maaiveld van minstens 1,50 m.
Artikel 12. Met het indienen of laten indienen van de aanvraag verbindt de eigenaar of pachter zich tot de nodige instandhoudingszorg. Dit houdt in dat:
- De betoelaagde aanplantingen minimaal gedurende tien jaar op dezelfde plaats blijven staan.
- De betoelaagde aanplantingen gevrijwaard worden tegen schade vanwege vee of wild, indien vee of wild aanwezig is. Advies hierover kan verkregen worden bij Regionaal Landschap Schelde-Durme of tal van websites zoals www.ecopedia.be.
- Er rondom de aanplant niet gemaaid wordt om beschadiging van de stam te vermijden.
- Vervanging van afgestorven of sterk beschadigde planten gebeurt in het eerstvolgende plantseizoen.
- De stam van de aangeplante wilgenpoten wordt ontdaan van stamscheuten, 3 jaar na aanplant op knot wordt gezet en 5 of 6 jaar na aanplant voor het eerst wordt geknot.
BEHEER(ADVIES) VAN HOUTIGE KLEINE LANDSCHAPSELEMENTEN
Artikel 13. Volgende subsidies worden toegekend:
- Voor het leiden van vlechtheggen: € 3 per meter, de subsidie is jaarlijks toekenbaar.
- Voor het scheren van hagen en/of vlechtheggen: € 1 per meter, de subsidie is jaarlijks toekenbaar.
- Voor het terugsnoeien van heggen, houtkanten of vlechtheggen met een hoogte van minimum 4 meter: € 3,00 per meter; de subsidie is om de drie jaar toekenbaar.
- Voor het afzetten van heggen of houtkanten met een hoogte van minimum 4 meter: € 3,00 per meter; de subsidie is om de vijf jaar toekenbaar.
- Voor het beheer van hoogstamboomgaarden:
- Snoei van nieuw aangeplante fruitbomen: € 5 per boom, jaarlijks toekenbaar tot 5 jaar na aanplant.
- Snoei van (jong)volwassen fruitbomen: € 10 euro per boom, om de 3 jaar toekenbaar.
- Voor het beheeradvies en/of beheer van waardevolle bomen: 50% van de werkelijke kost met een maximum van € 500 per boom. De subsidie is om de vijf jaar toekenbaar.
- Voor het knotten van knotbomen: € 12 per boom, de subsidie is om de vijf jaar toekenbaar, indien in de knotbomenrij knotbomen ontbreken moeten die aangevuld worden. Hiervoor kan een subsidie aangevraagd worden (zie art 11).
- Voor het afzetten van een hakhoutbosje met een hoogte van minimum 4 meter: € 24 per are, de subsidie is om de zeven jaar toekenbaar, de oppervlakte bedraagt maximum 20 are per jaar per aanvrager.
- Voor het beheer van houtig erfgoed gelden de subsidies voor het specifiek beheer zoals vermeld onder artikel 13.
Artikel 14. Voorwaarden voor subsidiëring zijn:
- Het Regionaal Landschap Schelde-Durme bepaalt aan de hand van een terreinbezoek of een boom al dan niet voldoet aan de omschrijving van een waardevolle boom en dus al dan niet in aanmerking komt voor de subsidie voor het beheer of beheeradvies van waardevolle bomen.
- Het beheeradvies of beheer van waardevolle bomen moet geleverd en resp. uitgevoerd worden door een gecertificeerde specialist in veteraanbomenbeheer (VETCERT-certificaat).
- De hoogte van een haag of vlechtheg na scheren bedraagt tussen 1 m en 1,5 m.
Artikel 15. Met het indienen of laten indienen van de aanvraag verbindt de eigenaar of pachter zich tot de nodige instandhoudingszorg. Dit houdt in dat de betoelaagde aanplantingen gevrijwaard worden tegen schade vanwege vee of wild, indien vee of wild aanwezig is. Advies hierover kan verkregen worden bij Regionaal Landschap Schelde-Durme of tal van websites zoals www.ecopedia.be.
AANLEG EN BEHEER VAN POELEN
Artikel 16. Volgende subsidies worden toegekend:
- Voor de aanleg van nieuwe poelen: € 2,5 per vierkante meter, gegraven oppervlakte, de subsidie kan voor elke poel slechts eenmalig worden toegekend.
- Voor slibruimen van bestaande poelen: € 2,5 per vierkante meter beheerde oppervlakte, de subsidie is om de 5 jaar toekenbaar.
Artikel 17. Voorwaarden voor subsidiëring zijn:
- Deze werken worden enkel betoelaagd na gunstig advies van Regionaal Landschap Schelde-Durme.
- Deze werken mogen niet als voorwaarde opgenomen zijn bij de toekenning van een omgevingsvergunning.
- De oppervlakte van een nieuwe poel bedraagt na uitvoering van de werken minimum 100 m² en maximum 250 m².
- De oppervlakte van een te ruimen poel bedraagt minimum 50 m².
- Het diepste punt van de poel is 1,5 à 2 meter diep.
- De oevers van een poel worden dermate aangelegd dat de bodem van de poel vanaf de rand zacht (maximaal 45°) afhelt waardoor een ondiepe oeverzone ontstaat. Dat is zeker zo voor de noordelijke kant van een poel.
- Indien er vee aanwezig is wordt minstens 2/3de van de poel ontoegankelijk gemaakt voor het vee.
- Indien de poel gelegen is in een akker wordt een bufferstrook van minstens 1 m breed voorzien.
- Er worden geen (water)dieren in of om de poel uitgezet.
- (Water)planten mogen enkel na gunstig advies van Regionaal Landschap Schelde-Durme in de poel worden aangebracht.
- Opgaande begroeiing langs de zuidkant wordt vermeden om de beschaduwing te beperken. Omwille van cultuurhistorische redenen (bv. vlasrootputten) kan hiervan afgeweken worden.
- In de poel worden geen instrumenten uitgespoeld die in contact zijn geweest met chemische middelen, biociden en mest.
- Er wordt geen water aan de poel onttrokken, met uitzondering van drinkwater voor het in de aangrenzende percelen ingeschaarde vee.
- De werken worden uitgevoerd in de periode augustus – januari.
- Een wadi die gegraven wordt in functie van de tijdelijke opslag en infiltratie van regenwater is geen poel en wordt bijgevolg niet betoelaagd.
Artikel 18. Met het indienen of laten indienen van de aanvraag verbindt de eigenaar of pachter zich tot de nodige instandhoudingszorg. Hieronder wordt verstaan:
- Regelmatig maaien en afvoeren van de niet-houtachtige oevervegetatie.
- Regelmatig snoeien en/of afzetten van de houtige beplanting rondom de poel zodat voldoende zon op de poel valt en de verlanding beperkt wordt. Voor uitvoering van deze werken kan een subsidie aangevraagd worden (zie art 13).
BEHEER VAN BESTAANDE SLOTEN IN HISTORISCH PERMANENT GRASLAND
Artikel 19. Volgende subsidies worden toegekend:
- Voor slibruimen van bestaande sloten: € 1,25 per lopende meter, de subsidie is om de 5 jaar toekenbaar.
Artikel 20. Voorwaarden voor subsidiëring zijn:
- Deze werken kunnen enkel uitgevoerd worden na gunstig advies van Regionaal Landschap Schelde-Durme.
- De sloot bevindt zich in een historisch permanent grasland.
- Indien de sloot zich op een perceelsgrens bevindt beschikt de aanvrager over de toestemming van de aanpalende eigenaar.
- De sloot mag enkel geruimd worden, niet uitgediept. Er mag dus enkel slib worden verwijderd, geen minerale bodem.
- Na de werken bevat de sloot minstens het volledige winterhalfjaar voldoende zuiver water om een typische water- of moerasflora en waterfauna tot ontwikkeling te laten komen.
- Er worden geen (water)dieren in of langs de sloot uitgezet.
- Er worden geen (water)planten in de sloot aangebracht.
- In de sloot worden geen instrumenten uitgespoeld die in contact zijn geweest met chemische middelen, biociden en mest.
- De werken worden uitgevoerd in de periode augustus – januari.
Artikel 21. Met het indienen of laten indienen van de aanvraag verbindt de eigenaar of pachter zich tot de nodige instandhoudingszorg. Hieronder wordt verstaan:
- Regelmatig snoeien en/of afzetten van de houtige beplanting op de slootoever. Voor uitvoering van deze werken kan een subsidie aangevraagd worden (zie art 13).
AANVRAAGPROCEDURE
Artikel 22. De aanvragen tot betoelaging worden ten laatste 3 maanden na de uitvoering van de werken ingediend bij Team milieu en klimaat van het lokaal bestuur Hamme/ het college van burgemeester en schepenen. Voor het indienen van de aanvraag wordt gebruik gemaakt van de modelformulieren die bij Team milieu en klimaat van het lokaal bestuur Hamme of het Regionaal Landschap Schelde-Durme te verkrijgen zijn.
Artikel 23. De aanvraag tot uitbetaling bevat minstens het correct ingevuld aanvraagformulier met:
- Persoonlijke gegevens van de aanvrager.
- De kadastrale gegevens van het perceel/de percelen waar de werken zijn uitgevoerd.
- Grondplan met aanduiding van de locatie van de werken.
- Een beschrijving van de aard van de werken.
- Periode van uitvoering.
- Een verklaring van eigendoms- of pachtrecht of schriftelijke toelating van de eigenaar of pachter.
Artikel 24. De aanvraag wordt aangevuld met:
- Advies van het Regionaal Landschap Schelde-Durme (indien van toepassing).
- Foto’s van voor en na de werken waarvoor een subsidie aangevraagd wordt.
- Voor het beheer van waardevolle bomen: een kopie van het VETcert-certificaat van de uitvoerder van de beheerwerken alsook de factuur van de uitgevoerde werken.
- Indien de aanvrager een landbouwonderneming betreft: een verklaring op eer dat door de toekenning van de beoogde de-minimissteun het plafond van de onderneming niet wordt overschreden. Meer info op https://lv.vlaanderen.be/beleid/landbouwbeleid-eu/steunmelding/staatssteun/de-minimissteun.
Artikel 25. Het college van burgemeester en schepenen beslist over de toekenning van de subsidie en het bedrag ervan. Deze beslissing wordt genomen na controle door het Team milieu en klimaat van het lokaal bestuur of het Regionaal Landschap Schelde-Durme op de correcte uitvoering van de aangevraagde werken en in functie van landschappelijke, ecologische, landbouwkundige, juridische en planmatige aspecten.
Artikel 26. Indien niet aan deze voorwaarden voldaan wordt meldt Team milieu en klimaat van het lokaal bestuur de onontvankelijkheid aan de aanvrager. Deze beschikt steeds over de mogelijkheid een aangepaste aanvraag opnieuw voor te leggen.
Artikel 27. Het college van burgemeester en schepenen beslist binnen de 9 maanden over de goedkeuring van de subsidie en het bedrag ervan. Indien deze termijn wordt overschreden wordt de aanvraag geacht principieel goedgekeurd te zijn.
Artikel 28. Wanneer de uitvoering onvolledig of gebrekkig is kan de subsidie bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen verminderd, uitgesteld of geweigerd worden. Vermindering, uitstelling of weigering van de subsidie wordt in alle geval gemotiveerd.
Artikel 29. Als het totaalbudget van de subsidieaanvragen groter is dan het beschikbare budget in de begroting worden de subsidies toegekend op basis van de aanvraagdatum.
Artikel 30. Als het totaalbudget van de subsidieaanvragen groter is dan het beschikbare budget in de begroting gaan de niet betoelaagde subsidieaanvragen automatisch over naar het volgende jaar.
Artikel 31. Bij discussie over wie de subsidie toekomt, wordt geen uitbetaling uitgevoerd.
Artikel 32. De subsidie kan door het college van burgemeester en schepenen geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd wanneer belangrijke delen van de werken niet zijn gerealiseerd, door kennelijk gebrek aan zorg niet in stand zijn gehouden of indien sprake is van fraude (dubbele subsidiëring, valse verklaringen …).
Artikel 33. In geval van vermoeden van fraude door de aanvrager worden de werken waarvoor subsidie wordt aangevraagd uitgesloten van verdere subsidieaanvraag.
INWERKINGTREDING
Artikel 34. Dit reglement vervangt het gemeentelijk subsidiereglement kleine landschapselementen van 24 november 2010.
Artikel 35. Dit reglement treedt in werking op datum van 1 januari 2026 en eindigt op 31 december 2031.